Rood, oranje of groen: wat met terugbetaling van de reissom?

21 september 2020 - Toerisme & reizen

De economische gevolgen van de coronapandemie treffen de reissector bijzonder en ongemeen hard. De toepassing van de dwingende reiswetgeving is daar zeker niet vreemd aan.

In twee hiernavolgende besproken hypotheses ontvangt de reisorganisator immers geen enkele vergoeding voor zijn arbeid en is hij evenmin gerechtigd kosten en/of gedane voorschotten en uitgaven in rekening te brengen. Alle bedragen voor de pakketreisovereenkomst  die door de reiziger al voldaan zijn, moeten terugbetaald worden binnen de 14 dagen (na opzegging).

Compleet het omgekeerde dus van het aloude  “loon naar werken”…

De eerste hypothese: de  “opzegging” door de reiziger

De wet (art 29 Wet Pakketreizen) laat de reiziger toe, ten alle tijden, de pakketreisovereenkomst op te zeggen, voor afreis. Dat is dus een onvervreemdbaar en arbitrair recht.

Het normale rechtsgevolg is dan dat de reiziger verplicht kan worden een passende en gerechtvaardigde opzeggingsvergoeding te betalen, waarvan het bedrag  conventioneel kan worden bedongen, zoniet is dit bedrag wettelijk begrensd door de prijs van de pakketreis, minus de kostenbesparingen en alternatief gebruik van de reisdiensten door de reisorganisator.

Dat is de hoofdregel.

Voor een welbepaald geval van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden heeft de wet (richtlijnconform) een uitzondering gemaakt in art 30 Wet Pakketreizen.

In die uitzonderlijke aangelegenheid kan de reiger opzeggen zonder betaling van een “opzeggingsvergoeding”, en kan hij de teruggave van alle betaalde reissommen bekomen. (wat niet bestond onder de vroegere wetgeving)

De voorwaarde is dat er zich “op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden  voordoen  die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming.” (Art 30 Wet Pakketreizen, omzetting van art 12. 2 Reispakketrichtlijn)

De tekst van de richtlijn en wet is duidelijk. Haar bedoeling evenzeer.

Art 12.2 Pakketreisrichtlijn doelt op omstandigheden in de uitvoering van de pakketreis, waar de inbreng van de organisator die de reisprestaties dient te verschaffen zich situeert zoals door hem beloofd in de pakketreisovereenkomst. Met name de plaats van de overeengekomen accommodatie of reisdiensten, en het vervoer daarheen.

Overweging 31 tweede alinea van de richtlijn geeft ter verduidelijking van die bedoeling een aantal voorbeelden als volgt:

“… oorlog, ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming of natuurrampen, zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden”

De terugbetaling van alle bedragen is de uitzondering, niet de hoofregel. Dat blijkt uit de tekst van de regelgeving zelf (art 12.2 Reispakketrichtlijn verwijst letterlijk naar  een beëindiging “ op grond van dit lid “, de Wet Pakketreizen herhaalt dit in art 30).

Rood, oranje of groen: wat met terugbetaling van de reissom?

De tweede hypothese: de opzegging door de reisorganisator

De reisorganisator heeft geen vrij en onbeperkt opzeggingsrecht zoals de reiziger.

Integendeel, hij heeft als primaire plicht de reis uit te voeren, waarbij hij, desnoods, bij onmogelijkheid tot uitvoering van de initiële overeenkomst, een gelijkwaardig reisalternatief (waarvan de aanbieding geen verplichting is) kan voorstellen (volgens de voorwaarden van art 24 en art 25 e.v. Wet Pakketreizen).

De reisorganisator mag evenwel de reis opzeggen indien hij als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden de reis niet kan uitvoeren. Dan heeft hij een teruggaveverplichting van alle betaalde reissommen (art 31§2 en 32 Wet Pakketreizen).

Anders dan bij de opzegging door de reiziger, wordt geen melding gemaakt van de “plaats” van die omstandigheden of het vervoer erheen, wat logisch is. Ook in de fase van de voorbereiding en de organisatie van de pakketreis kunnen er zich onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in hoofde van de reisorganisator voordoen. (Art 24 en 25 voornoemd verwijst daar impliciet naar).

Het coronavirus grijpt overal maatschappelijk en economisch om zich heen en wijzigt het reisgedrag op nooit geziene wijze. De rechtsregels blijven integendeel ongewijzigd van toepassing, behoudens de tijdelijke ingreep met de invoering van de “tegoedbon” met MB van 19.3.2020. (BS. 20.3.2020)

Thans is vooral het driekleurenpallet “rood”, “oranje” en “groen” actueel en moet geval per geval, dag op dag, bekeken en beoordeeld worden, wat de gevolgen zijn van die adviezen,  alvorens te dreigen, de ene partij met “annulatiekosten”, de andere met de terugbetaling van alle reissommen!

“Code rood”, het reisverbod bepaald door de Belgische autoriteiten, voor buitenlandse bestemmingen, is op zichzelf onvoldoende om art 30 Wet Pakketreizen in te roepen. Gekeken moet worden naar de bestemming en de wijze van reizen ernaartoe binnen het reispakket.

Als een reisorganisator in staat is om een reis uit te voeren naar een bestemming waarvan de bevoegde autoriteiten voor die bestemming reizen toelaat, en die reizen kunnen doorgaan, zonder aanzienlijke gevolgen (voor de uitvoering van de reis en of het vervoer er naartoe) is art 30 Wet Pakketreizen niet van toepassing. Dat zou wel het geval zijn indien de reisorganisator niet in staat is zijn verbintenissen uit te voeren, dit is de reis uit te voeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden,

Wanneer een reisorganisator, bij wijze van voorbeeld, voor een meerdaagse reis, de plaats van vertrek vanuit de luchthaven van Zaventem naar de meest bijgelegen en geschikte luchthaven buiten België wijzigt, en het vervoer daarnaar op zich neemt, is artikel 30 Wet Pakketreizen niet van toepassing. Dat is geen ingrijpende of beduidende wijziging.

Dit wil echter niet zeggen dat de reisorganisator geen uitvoeringsfout zou kunnen begaan (art 33 Wet Pakketreizen) of nadien niet aangesproken zou kunnen worden voor een niet-conforme uitvoering met alle gevolgen vandien tot en met terugbetaling (art 47-50 Wet Pakketreizen). Evenmin dat de reiziger niet mag opzeggen, en/of gemeenrechtelijk de overeenkomst wegens wanprestatie niet kan laten ontbinden ten laste van de reisorganisator, en/of de reiziger niet zou mogen vaststellen dat de reisorganisator de beloofde reisprestatie niet mocht of kon uitvoeren… omdat hij de reisprestaties niet in veiligheid kon garanderen.

Van belang bij de beoordeling is de invulling in concreto van de informatieplicht van de reisorganisator, voor elke afreis.

“Code oranje” betekent verhoogde waakzaamheid. “Code groen” verschaft op zich geen enkele zekerheid.  Dag per dag kunnen de kleuren wijzigen…

Dat is intussen dus een algemene bekendheid. Evenals het naleven van de elementaire corona voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen door iedereen waar dan ook. Iedereen is immers de eerste bewaker van de eigen veiligheid en fysische integriteit. De zorgvuldigheidsregel blijft in alle omstandigheden bestaan, naast de regel van de goede trouw bij de uitvoering van een wederkerige overeenkomst.

Het verwachtingspatroon van de reiziger heeft zich aan die aleatoire situatie aangepast of dient minstens daaraan getoetst te worden bij elke mogelijke betwisting (ook die aangaande de uitvoering).

Enkele verdere bedenkingen

Uiteraard dient geval per geval onderzocht te worden.  De reiziger heeft ten alle tijden het recht de pakketreisovereenkomst op te zeggen wat niemand hem kan beletten.

Op te merken valt dat de wet niets bepaalt over de wijze van opzegging. Dit kan uit de feiten zelf blijken. De wil tot eenzijdige beëindiging kan inderdaad afgeleid worden  uit de niet uitvoering van de verbintenis zelf (bijvoorbeeld wanneer de reiziger niet komt opdagen).

De gevolgen van de verbreking zijn de mogelijke verplichting tot betaling van een “passende en gerechtvaardigde” opzeggingsvergoeding. (art 29 Wet Pakketreizen).

Het staat de rechter (of arbiters) vrij om te oordelen of er een opzeggingsvergoeding moet worden betaald en in welke mate.  De rechter wordt zelfs een ruime mate van beoordelingsvrijheid gelaten… Hij mag bovendien een mogelijke “opzeggingsvergoeding” toetsen op haar “passendheid” en “gerechtvaardigdheid” en het bedrag ervan matigen/temperen…

Voorbeelden uit het verleden – bij opzegging door de organisator –  tonen  aan dat met zelfs een beroep op de “billijkheid en redelijkheid”,  wederzijdse aanspraken werden beoordeeld en restitutieaanspraken aan de organisator werden toegekend.

De reiziger zou zich kunnen beroepen op  “overmacht”  in de gemeenrechtelijke zin, buiten het geval van art 31 Wet Pakketreizen.

In die hypothese is het lot voor de reiziger ook onzeker.

Onder vorige wetgeving en algemeen verbintenissenrecht (wat ook van toepassing blijft), werd vaak geoordeeld  dat de prijs van de reis spijts “overmacht” wel verschuldigd was met de bedenking dat de reiziger als primaire plicht heeft de prijs van de reis te betalen en bovendien overmacht de schuldenaar niet ontslaat van betaling.

Ook werd voorgehouden dat de reiziger maar een annulatieverzekering moest afsluiten die een  verbreking in dat geval dekt.

De weerkerende vraag of de reisorganisator bij “annulatie” ingevolge overmacht de eigen kosten en/of voorgeschoten uitgaven aan leveranciers mag behouden, buiten toepassing van art 30 Wet Pakketreizen, ligt dan weer op tafel.

Onder de vroegere regelgeving deed men beroep op heel wat vindingrijke oplossingen uit het gemeen recht bij kleinere crisissen en rampspoed,  gaande van de analogie met de verbreking uit het aannemingsrecht, de lastgeving , en zelfs de billijkheid en redelijkheid.

Die argumenten kan men tegenwoordig ook onverstoord inroepen voor alle gevallen buiten art 30 Wet Pakketreizen.

Ook het gemeen recht heeft, met de Covid-pandemie, geen oplossing bij de hand.

Ook voor vele andere contracten moet men oplossingen voorstellen of “bedenken” (gaande van uitstel van uitvoering, beroep op de goede trouw en loyauteit bij de uitvoering van contracten, het beginsel van de heronderhandeling, de imprevisieleer, leer van de gewijzigde omstandigheden …)  Talloze publicaties hierover zagen inmiddels het daglicht…

Met de dwingende Reispakketrichtlijn voor ogen is op dit ogenblik weinig heil te verwachten. De regel van art. 12 Pakketreisrichtlijn is onevenwichtig en legt een ondraaglijke last op de schouder van de reisorganisator en geeft aanleiding tot veel problemen in de praktijk.

Er ligt recent een Duits initiatief voor (Duitsland is van 1 juli tot 31 december 2020 voorzitter van de EU ) om de Pakketreisrichtlijn te wijzigen in die zin dat de reiziger 50% van de “annulatiekosten” van de reisorganisator zou moeten dragen.

De bedoeling is de last tussen de beide contractspartijen gelijk te verdelen.

De motivering is dat de reiziger de dag van vandaag perfect op de hoogte is van de gezondheidsrisico’s van de coronapandemie. De reiziger weet thans dat hij op reis op elk moment een gevaar kan oplopen, ongeacht de bestemming rood, oranje of groen is… De reiziger kent dus de coronagevolgen en gevaren en dreigingen ook voor  mogelijke andere epidemieën…

In welke mate daar in 2021 (ten vroegste want ten laatste op 1 januari 2021 dient de Europese Commissie een verslag in te dienen over de toepassing van de Reispakketrichtlijn) (art 26 Pakketreisrichtlijn ) gevolg aan verleend wordt en/of in welke mate is maar zeer de vraag.

Het is duidelijk dat zonder wijziging van de Pakketreisrichtlijn, en tot dan, de reissector zwaar lijdt en zal lijden ten gevolge van regelgeving die onevenwichtige en te zware lasten op de schouders van de sector legt.

Voor die wijzigingen zullen al heel wat kleinere reisorganisatoren de definitieve genadeslag wellicht hebben ondergaan…

De enige hoop is wellicht de creatieve rol van de rechter… binnen het recht en de algemene rechtsbeginselen. Dit was vroeger ook al vaker het geval ….

Voor meer inlichten en informatie rond dit onderwerp, kan u contact opnemen met mr. Jan Van Bellinghen en mr. Fred Van Bellinghen

 

Terug naar overzicht

Tillid advocaten gebruikt cookies om uw surfervaring gemakkelijker te maken en voor analysedoeleinden.  Door verder gebruik te maken van deze website gaat u hiermee akkoord.

Meer info